Op de samenkomst van creatief schrijven, kreeg ik de volgende opdracht: schrijf iets, een verhaal of zo, over de vijf laatste foto’s op je GSM. Ik geraakte daarbij toch even in de war. Ik had namelijk geen idee wat dat kon zijn, die laatste vijf foto’s. Zelfs bij diep nadenken, kwam er niks terug.
Toen ik op mijn GSM keek, en zag welke het waren, dacht ik oei… dat… oei en die… oei… Ik had me vorige week laten verleiden om mee te doen aan een nogal confronterende opdracht, in een groep gegooid, door een bevriende kunstenares. Foto’s nemen van jezelf (selfies dus) “en profil” en die zonder te verbloemen in tekening gieten.
Niet verbloemen, op mijn leeftijd… tja… Dat betekent: de walletjes, de rimpels, de al naar beneden gezakte oogleden en mondhoeken, en zelfs de dubbele kun en slappe nek, gewoon toelaten… Accepteren. Want ze zijn er toch hé? Hoe dan ook… Of ze nu te wijten zijn aan ouderdom, levenservaring, of andere kwalen… ze zijn er… Ze horen erbij. Ik had alleen een beetje moeite met het idee… En dan de praktische kant… Probeer maar eens een selfie te nemen “en profil”. En zo had ik de opdracht voor me uit geschoven.
Uitstelgedrag dus.
Die avond lag ik in bed, GSM op het nachtkastje, voor de veiligheid… Profielfoto’s met licht achter me… misschien gaf dat wel een mooiere gezichtslijn in een voor de rest donkere kamer, dan foto’s bij klaarlichte dag. Ik maakte precies vijf foto’s. Nu kan je je afvragen… waarom vijf… Wel, misschien omdat ik toen al wist dat ik er voor de opdracht van creatief schrijven net vijf zou nodig hebben… vooruitziend dus… Nee… Grapje… Deze stap in het proces van de opdracht van mijn kunstzinnige vriendin had ik dus gezet. Nu komt er nog een veel moeilijker stuk… Mezelf tekenen, aan de hand van die selfies. Al die lijnen, al die imperfecties, met enkel inkt of balpen of zoiets in één tint op papier zetten. Verschillende schetsen maken dus. Zicht krijgen op mijn ware ik… Pfff… Moeilijk wordt dat… Dus wat gebeurt er…
Uitstelgedrag…
Alsof het daarna, wanneer ik er ooit echt klaar voor ben, mezelf zo onder ogen te zien, gemakkelijker wordt. Maar als ik nog langer wacht, moet ik er misschien nog een diepe frons op mijn voorhoofd bij fantaseren. Oei, oei, oei… als dat maar goed komt.
Toen ik zo’n jaar of zeven of acht was, zoiets moet het zijn geweest, hing ik voor ons zwart/wit televisietoestel… Een bol scherm, met afgeronde hoeken, een houten kast eromheen, en dikke witte drukknoppen… Daar kwam beeld en geluid uit. Meestal lag ik daar voor op mijn buik op de grond, mijn voeten wippend in de lucht. Dan kwam een keer in de week, op woensdagnamiddag, denk ik, Kapitein Zeppos op de buis. Dat we daarnaar konden kijken kwam ook door de vreemde antenne op het dak, die in de juiste richting gedraaid moest zijn. Als die niet goed gericht was, zagen we alleen sneeuw in het beeld. Een heel evenement was dat toen. Dat heette toen een feuilleton.
Ik bekeek de beelden met grote verbazing. Er kwam een intrigerende amfibie-auto in, die snorde zowel over land als over het water. In het verhaal kwamen heel wat vreemde figuren voor. Een man met een grote pukkel herinner ik me ook. En Kapitein Zeppos, de hoofdrolspeler, stal mijn hart. Hij sprak heel mooi. Hij had een prachtige stem… Kortom, ik was helemaal mee met de sfeer. Na iedere aflevering keek ik reikhalzend en hunkerend uit naar de volgende.
Dat ging goed tot ik de schrik van mijn leven kreeg. Ergens in het verhaal hangt een schilderij aan de muur met een levensgroot portret. De ogen bleken gaten in het schilderij te zijn waar men van daar ergens achter kon doorheen kijken. Voor zover ik het begreep… En toen gebeurde het, dat in een of andere snelle plotwending of zo, er echte ogen door het schilderij te zien waren, die bewogen. Ik schrok me te pletter. Ik denk dat ik toen gaan lopen ben. Ik werd heel erg bang. Kapitein Zeppos was voor mij niet meer wat het was.
Dat kwam niet zozeer door hem, maar wel door de vreemde kronkel die ik toen in mijn hersenen kreeg. Een soort van angstige traumaverbinding van neuronen, dendrieten, van ik weet niet wat… Maar ik dacht dat er achter elk schilderij iemand zat die me kon zien, die me in de gaten hield… Ik weet niet of ik mijn bangelijkheid kon uitleggen… Ik weet enkel dat er wel overal dingen aan de muren hingen, waarbij dat het geval kon zijn. Er zat een exponentiële groei in mijn waarnemingscurve… Het zat gewoon overal!
Het ergste was, dat ik naar boven moest om te gaan slapen, en dat op de trap, in de eerste bocht (er waren er twee), een grote oude spiegel hing… Hij had al wat spikkels van ouderdom, wist ik veel hoe oud hij al was. Maar daar moest ik voorbij… elke avond… in mijn eentje… Ik was ervan overtuigd dat achter die grote spiegel iemand zat of stond die me zag en die zomaar vanuit het niets uit die spiegel kon springen en me zou doen verschieten, of zou meenemen naar God weet waar… Elke avond werd een soort van lijdensweg waar ik geen uitleg voor had. De gedachte dat de man die achter de spiegel zat dan ook daar ergens achter vast wel in een of andere kamer in huis woonde… vreselijk… Maar ik kon of durfde het niet uitleggen. Ik vond het toen al te belachelijk voor woorden, hoe ongerust ik ook was. In bed kroop ik heel diep weg onder de dekens… Er mocht geen teen of vinger van onder het deken uit steken, want dan zou me wellicht nog groter onheil overkomen…
En het leven gaat verder natuurlijk. Ik trouwde. Ik scheidde… Ik woonde een tijd alleen op een andere plek. Om dan door omstandigheden terug te keren naar mijn ouderlijk huis. Nog altijd hing die spiegel op dezelfde plek op de trap. Nog altijd voelde ik mijn maag lichtjes verkrampen als ik in die spiegel keek, als ik er moest passeren. Stel je voor… op mijn 62e hoorde ik nog altijd het Kapitein Zeppos deuntje als ik de reflectie van mezelf erin zag.
Dat bange meisje dat geen woorden had voor een irrationele maar aanwezige angst zat nog altijd in mij… Ja, ik begon het te beseffen. In een recente opruim-bui dacht ik: die dwaze spiegel moet hier weg. Dat kind moet weer vrij kunnen ademen… want ik begrijp het wel hoe het zich voelde toen.
Gisteren is de spiegel naar de kringloop gegaan. In de eerste bocht op de trap hangt nu een schilderij dat ik zelf bijeen gepenseeld heb. Ik heb geen schrik meer van achterliggende ogen die me bespioneren, noch van geheime kamers en nissen waar iemand zich in verbergt…
Eindelijk rust.
Oef, oef, oef…
Ik weet het, het is een lang verhaal… maar het is wat het is… Het moest er even uit, denk ik.
Een kind draagt soms meer mee dan wat we als volwassenen willen geweten hebben, denk ik dan… Ik kan alleen maar zorgen voor dat innerlijke kind van me. Dat meisje even koesteren en zeggen dat het allemaal goed is nu. Dat ik bij haar ben. Dat ik haar begrijp.
Misschien komt het wel door Kapitein Zeppos dat ik ben beginnen schilderen… Wie weet… Om greep te krijgen op wat onbegrijpelijk leek.